Zoals ik al eerder zei kan ik noeken vol schrijven over de dagelijkse reizen van en naar het werk. Is het niet Connexxion zelf die mij regelmatig ergert met hun rare regeltjes of het geklungel van hun chauffeurs, dan zijn het wel de reizigers die altijd goed zijn voor verbazing of verwondering.
Regelmatig zal ik hier over schrijven. Een betere inspiratiebron is er eigenlijk niet te vinden.
Het is vroeg. Achter het stuur een babbelzieke vrouw van middelbare leeftijd. Keurig permanentje, kleurige bril. Ze wil hipheid uitstralen, maar toont als de huismoeder die de bril van haar dochter geleend heeft.
Op de eerste bank schuin achter haar heeft mijn altijd enige ochtendpassagiere plaatsgenomen. Een klein Indisch vrouwtje die niet al te best Nederlands spreekt. Het eeuwige witte pak onder haar jas verraad dat ze iets in de verpleging doet. Net als ik neemt ze ‘s-morgens de eerste bus. Wetende dat we totdat zij uitstap de enigste zullen zijn in de bus.
Altijd zit ze op hetzelfde plekje achterin.
Behalve als de chauffeur in is voor een praatje. Dan zit ze voorin en babbelt honderduit. Niet dat je het kunt verstaan, hoor. Maar haar verhaal ondersteunend met wijde armgebaren en veel “jaaaaaaaaaa, jaaaaaaa’ begrijp je ongeveer wat ze bedoelt.
Het gesprek gaat van het slechte weer naar de kerstbomen die komen gaan. Van de kerstbomen naar de drukte ‘s-morgens vroeg. Van de drukte naar de belevenissen van de chauffeuse van de avond ervoor. Kwebbel, kwebbel, kwebbel.
Mijn ochtendhumeur wordt er niet beter op. Mijn MP3 zet ik een standje hoger. Maar het gekakel is niet buiten te sluiten zonder mijn trommelvliezen te beschadigen.
“Oh nee, hxe8″, Kakelt de chauffeuse, “Er brandt hier een rood lampje! Kijk dan, hiero!” En wijst een van de vele knoppen aan. Dan volgt er een discussie wat dat lampje met die driehoek wel niet zou kunnen betekenen.
Bij de volgende halte wordt gestopt. Wederom een discussie. Zou het kwaad kunnen? Wat zou het toch zijn, he? En mevrouw besluit een herstart van de bus te doen.
“Het wordt even donker, jongens!” schalt het door de bus. Tegen wie zou ze het hebben? Mij? Er zit immers verder niemand in de bus. De motor wordt afgezet en alles wordt donker. Een weldadige stilte, met slechts The Allan Parson Project in mijn oren laat ik even tot me doordringen. Pffffffff wat kan dat mens kletsen, zeg.
Helaas, dit was maar van korte duur. “Zouden er al 45 seconden voorbij zijn?” vraagt ze zich hardop af. Nu slaat de ergernis al lichtelijk bij me toe. De motor slaat aan. Ze heeft de gok blijkbaar genomen. Om tot de ontdekking te komen dat het verfoeide rode lampje nog steeds brandde.
Ik schud onbegripvol mijn hoofd. Dat heb ik weer. Weer een godsvermogen betaald op naar mijn werk te komen en ze presteren het om een wijf op de bus te zetten die niet eens weet hoe haar dashboard in elkaar zit. Damn, het zal eens een keer niet zo zijn.
Ze besluit te bellen met de centrale. Ze wil geen meter verder rijden voordat ze weet waar dat rode lampje voor is. Na een zin gezegd te hebben valt de verbinding weg. Batterij leeg. Gillend van de lach constateert ze dat dit niet echt haar dag is. Djeez, wat dacht je van de mijne?
Dan maar de centrale opgeroepen en als de eerste de beste leek op busgebied vraagt ze waar dat rode lampje voor is. Welk rood lampje? Die met die driehoek. Ik hoor de stem aan de andere kant een ongexefnteresseerde toon aannemen. Hij had geen idee over welk lampje ze het had. Gloeiende, dit kan toch niet waar zijn, jongens! Rijden met die barrel! Ga maar puzzelen als we er zijn ofzo!
Gexefrriteerd kijk ik naar buiten en zie een andere bus naast die van ons stoppen. Of ze hulp nodig had. Nou, die kon ze wel gebruiken.
Een potige vent stapt uit en constateert dat het iets is met een luchtbel in de deuren, weet ik veel. Nix aan het handje, dus. Opgelucht haal ik adem. We kunnen door.
De reis wordt weer aangevangen. Net als het gekwebbel. Het was toch allemaal wat, he?
Eindelijk is het Indische vrouwtje op de plaats van bestemming. ‘Dahaaaaaaaaaaaaaag’, zwaait ze naar de chauffeur. Dat doet ze iedere ochtend. “Dahaaaaaaaaaaaaaaaag!”
En nou oprotten! Ik ben al een kwartier te laat.